Toen hij zeven was
Afwachtend zwaaiend in de verte,
daardoor klein, maar kennelijk groot,
jas op leeftijd half zeven,
met je kaplaarzen glansrood.
Door-een-muis-gevreten haren,
tijdloos ongekamd naar voor,
zo lijkt het of je kapsel stilstaat,
maar je denken groeit maar door.
Je klokt het tempo grote wijzer,
slokt versnelling wat je kan,
rent met tijd en wint bij wijlen.
Heel groot jong en jong toch dan.
Kleine ziel je wil graag groots zijn,
stoof stoer boos eerder op pad,
waarna een voetbalveld alleen,
dan toch vertwijfeld angst intrad.
Je staat plots stil en draait je blik terug,
(blij je zo, mijn zeven-man)
wanneer je zwaait en papa aanstaart
dat jij het leven hebben kan:
“Papa, ben niet kleiner dan ik zijn wil,
ik mag er zijn ook in het klein.
Ben m’n eiland of zal worden,
maar als bang, dan zwaai ik fijn.”
Laat een reactie achter