Besef de leven: het groene gras.
Het is een plat — getreden pad.
Groen gras. Het gras.
De bomen. De takken. De blaadjes.
De wijdverspreid verstopte slakken.
Het gras. De bomen. De takken.
De blaadjes. De door rupsgevreten gaatjes.
De blaadjes — honderdgroen millilicht geluk.
Vederlichtgewicht per stuk.
Maar met elkaar — raar zwaar.
Die blaadjes — die zélfs mét gaatjes
samen takken laten zakken.
Mijn kleine vent zou zeggen:
‘Besef de leven!’
Mijn ontwapenende vent.
Mijn tot de tanden toe bewapende beugelbekkie.
Gespierde Spriet. Lief gekkie.
Van echte wapens houdt hij niet.
Mijn spriet. Jouw spriet.
Ons kroos. Jouw griet. Wij groos.
Besef de leven! Het groene gras.
Laten we blaadjes zijn!
Die bijzondere blaadjes aan de takken.
Met hoe meer we zijn. Hoe nabijer we zakken.
Totdat een ieder blaadje ziet: Het groene gras.
Spriet. Voor Spriet. Voor Spriet. Voor Spriet.
Laten we blaadjes zijn!
Die bijzondere blaadjes aan die takken.
Zo raar zwaar zowaar — kunnen we met elkaar.
Wijdverspreid wapens laten zakken.
Maar we kijken niet.
Sprieten bezwijken — niet?
We lijken lijken — niet?
Dorre takken te hoog in de boom —
lijken lijken — van bewustzijn ontheemd.
En van sprieten vervreemd.
Waarmee de hoog-in-de-boom niet ziet
Wat ie de kleine spriet ontneemt.
Het is een plat — getreden pad.
‘Kijk — Hoe mooi dat groene gras!’
Maar ik wou (Besef de Leven!)
dat ieders platgetreden spriet
deel is van dat groene gras
en opnieuw in leven was.
Cedric Muchall
stadsdichter
Laat een reactie achter